Hans Hagen

 

 

Op deze pagina vind je teksten die ik voor een of ander doel schreef. 

Als eerste een tekst voor Jubelientje pakt uit. Als tweede een stukje dat ik maakte voor de brochure van een boekenclub.

 

 

JUBELIENTJE

 

Het eerste Jubelientjeverhaal schreef ik in 1987. 'Sotje is jarig' was de titel. Jubelientje heette nog niet Jubelientje, maar Anne. Anne, dat vond ik mooi klinken. Maar eigenlijk zocht ik een naam waarvan je ging juichen en jubelen… Jubelientje! Die naam bestond nog niet. Ik werd er vrolijk van. En Jubelientje bracht mij op ideetjes voor nog veel meer verhalen.
Jubelientjes vader en moeder wonen bij oma om de hoek. In de boeken spelen ze nooit mee. Waarom? Lange tijd was mijn dochter het enige kleinkind in de familie. Ze had acht opa’s en oma’s en die gaven al hun liefde aan dat ene meisje. Niets was te dol. Alles kon. Van die acht (over)grootouders maakte ik één super-oma die in het echt ook bij ons om de hoek woonde. 
Ik schilder Jubelientje met woorden. Philip Hopman doet het met lijntjes en kleuren. Hij bedacht haar gezicht, haar kleren en haar elastieken benen zonder knieën. Met Philip werk ik graag samen. Ik mag van hem lekker meedenken. ‘Teken Jubelientje maar in een kamer met duizend spiegels,’ zeg ik dan. ‘Of in een donker hol met tienduizend spinnen.’ Philip luistert altijd goed, maar daarna tekent hij precies zoveel spiegels of spinnen als hij zelf wil. Ik klaag wel eens over oma’s grote neus, maar volgens Philip moet ik niet zeuren. ‘Die heeft ze gewoon. Al negen boeken lang.’ 
In 1991 verscheen het eerste boek van onze ster, Jubelientje en haar liefste oma. Aan het tiende boek wordt nu gewerkt. Waarschijnlijk noem ik het: Jubelientje wordt wild. Jubelientje is een bijzonder kind. Ze is nog ongeveer even groot als in 1987. Maar haar hoed groeit langzaamaan tot maatje karrenwiel. 

Hans Hagen, mei 2005

 

 

DUURT DAT LANG?

 

‘Duurt dat nou lang, zo’n gedichtje maken?’ vragen mensen vaak. Ik zou graag zeggen: ‘Ach welnee, een kwartiertje, hooguit een uur’. Maar helaas... Een heel lange dag werkte ik aan het titelgedicht van Jij bent de liefste. Drie goede zinnen kreeg ik op papier, verder vooral veel on-zinnen. Toen Monique 's avonds vroeg of ik nog iets gedaan had, las ik de drie regeltjes voor: ik zoek een woord / een heel nieuw woord / een woord dat niemand kent. Zonder nadenken vulde Monique aan: ik zoek een woord / dat zeggen wil / dat jij de liefste bent. En toen was het gedicht af. In drie seconden deed zij wat mij in acht uur niet gelukt was. Samen schrijven kan heel handig zijn. Als je tenminste niet drie avonden over een woordje zit te bakkeleien, want dat komt ook regelmatig voor.
Bij de boeken van Jubelientje sta ik er alleen voor. Hoewel, alleen... Mijn dochter had op een bepaald moment acht (over)grootouders, en zij was het enige (achter)kleinkind. Dus niets was te dol. Die acht lieten zich samenballen tot één onovertroffen oma die alles voor haar kleinkind over heeft.
Jubelientjes oma leest vaak voor - twee keer per dag, drie keer - in ieder geval elke avond voor het slapen gaan. Net als wij bij onze dochter deden. Zij wilde zo veel verhaaltjes horen dat we er op een gegeven moment maar een cassetterecorder bij haalden. Met een microfoon in de hand namen we onszelf al voorlezend op. Dan kon zij meteen daarna hetzelfde verhaaltje nog eens horen, en nog eens. Vaak luisterden wij met haar mee. Vielen wij in slaap terwijl zij nog klaarwakker aan het luisteren en terugspoelen was.